Multiple choice test

In een parallelschakeling heeft iedere weerstand :

    1. Dezelfde stroom
    2. Dezelfde spanning
    3. Hetzelfde vermogen
    4. Alles dat hierboven is vermeld

Als een weerstand van in parallel wordt geschakeld met een weerstand van is de totale vervangingsweerstand:

    1. Groter dan
    2. Groter dan maar kleiner dan
    3. Kleiner dan maar groter dan
    4. Kleiner dan
  • Een parallelschakeling bestaat uit een , en . De totale weerstand van deze parallelschakeling is ongeveer:

  • Er worden 8 weerstanden in parallel geschakeld. De twee kleinste weerstanden zijn beide . De totale weerstand van de parallelschakeling:
    1. Kan niet bepaald worden met deze gegevens
    2. Is groter dan
    3. Is kleiner dan
    4. Is kleiner dan
  • Als een bijkomende weerstand mee in parallel geschakeld wordt zal de totale weerstand van deze parallelschakeling:
    1. Dalen
    2. Stijgen
    3. Blijft hetzelfde
    4. Stijgt met de waarde van de toegevoegde weerstand
  • Als één van de weerstanden uit een parallelschakeling wordt verweiderd zal de totale weerstand van deze parallelschakeling :
    1. Dalen met de waarde van de verwijderde weerstand
    2. Hetzelfde blijven
    3. Stijgen
    4. Verdubbelen
  • Aan een bepaald knooppunt komen twee stroompaden toe. De stromen die hierin vloeien zijn en . De totale stroom die van het knooppunt wegvloeit is gelijk aan :
    1. Kan men niet weten met deze gegevens
    2. Groter dan de twee toekomende stromen
  • Volgende weerstanden worden in parallel geschakeld over een spanningsbron: en . De weerstand waardoor de kleinste stroom vloeit is :
    1. Het is niet mogelijk dit te bepalen met de opgegeven gegevens
  • Een plotselinge daling van de stroom naar een parallelschakeling toe kan een indicatie zijn dat :
    1. Een weerstand in de parallelschakeling stuk is of open is
    2. Een spanningsdaling van de bronspanning
    3. Zowel (a) als (b)
    4. De parallelschakeling is kortgesloten
  • Een parallelschakeling bestaat uit 4 takken. Door iedere tak vloeit een stroom van . Wanneer één van deze takken onderbroken wordt is de totale stroom door deze parallelschakeling gelijk aan:
  • Een parallelschakeling bestaat uit drie takken. Door stroomt , door stroomt en door . De totale stroom wordt opgemeten en bedraagt . Hieruit kan je concluderen dat:
    1. stuk is
    2. stuk is
    3. stuk is
    4. Het systeem werkt correct
  • Door een parallelschakeling met drie takken vloeit een totale stroom gelijk aan . De stroom door de eerste en de derde tak is respectievelijk en . De stroom door de tweede tak is gelijk aan:
  • Een parallelschakeling op een PCB bestaat uit vijf weerstanden. Er blijkt een volledige kortsluiting zich te ontwikkelen over één van deze weerstanden. Het meest logische resultaat hiervan is dat:
    1. De kleinste weerstand in de parallelschakeling zal doorbranden
    2. Een of meer weerstanden in de parallelschakeling zullen doorbranden
    3. De zekering in de spanningsbron gaat stuk
    4. De weerstandswaarden zullen veranderen
  • De vermogendissipatie in ieder van de vier paralleltakken van een parallelschakeling is gelijk aan . De totale vermogendissipatie is gelijk aan:
    1. 1 mW
    2. 4 mW
    3. 0.25 mW
    4. 16 mW

results matching ""

    No results matching ""